Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-11451

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 3 oktober 2022 (UHT-HD CWS)

Hoorzitting: 17 oktober 2024 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 12 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) met kenmerk UHT-HD CWS.

Aan belanghebbende is door CWS geen aanvullende compensatie toegekend.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 december 2019 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 en 2014.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 11 januari 2021 aan belanghebbende een
    compensatie toegekend voor een bedrag van € 13.911.
  • UHT heeft bij beschikking van 3 maart 2021 aan belanghebbende een definitieve
    compensatie toegekend voor een bedrag van € 13.981.
  • UHT heeft bij beschikking van 22 maart 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een minimale vergoeding van € 30.000 (de Catshuisvergoeding) en is een aanvullend bedrag betaald.
  • UHT heeft bij beschikking van 19 augustus 2022 aan belanghebbende een nieuwe definitieve compensatie toegekend voor een totaal bedrag van €19.177. Omdat dit bedrag lager is dan de eerder ontvangen Catshuisvergoeding is geen aanvullend bedrag uitbetaald.
  • Belanghebbende heeft op 6 april 2022 verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
  • De CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 september 2022 aan UHT toegestuurd.
  • UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij de bestreden beschikking aan
    belanghebbende geen aanvullende compensatie toegekend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 9 november 2022 tegen deze beschikking een
    bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft het bezwaarschrift bij brief van 3 september 2023 aangevuld.
  • UHT heeft op 19 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • UHT heeft op 24 september 2024 een aanvullende beschouwing overgelegd.
  • Op 17 oktober 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 18 november 2024 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 30 januari 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, 1e commissielid en 2e commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich voor de vraag gesteld of UHT de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade op juiste wijze heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de bezwaargronden van belanghebbenden.

Toetsingskader
In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Dit verzoek kan door de gedupeerde ouder worden ingediend bij CWS. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de
handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al
gecompenseerd is.

Omdat CWS is ingesteld om gedupeerde ouders de gang naar de rechter te besparen, dient de adviesprocedure tegemoet te komen aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM.

Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerd ouder recht heeft op aanvullende
compensatie, wordt het advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.

In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden.

De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval kon baseren op het advies van CWS.

Beoordelingskader Immateriële schade
UHT gaat bij de beslissing op bezwaar uit van het recht zoals het op dat moment luidt (ex nunc) en neemt daarbij alle feiten en omstandigheden in overweging die op het moment van heroverweging bekend zijn (vgl. artikel 7:11 Awb). Dit betekent dat gegevens die na het uitbrengen van het CWS-advies beschikbaar zijn gesteld, kunnen leiden tot een beslissing van UHT die afwijkt van het advies van CWS. CWS heeft immers met die nieuwe gegevens geen rekening kunnen houden.

In de schriftelijke reactie van 19 juni 2024 heeft UHT aangegeven dat omdat CWS het Beoordelingskader immateriële schade (hierna: Beoordelingskader) op 8 november 2022 heeft gepubliceerd, de immateriële schade van belanghebbende is herbeoordeeld aan de hand van dit Beoordelingskader. De totale immateriële schade komt aan de hand van het verfijnde beleid uit op een hoger bedrag dan eerder geadviseerd door CWS, aldus UHT.

In haar eerste aanvullende beschouwing van 24 september 2024 heeft UHT aangegeven dat nu CWS op 1 juli 2024 wederom een gewijzigd schadekader heeft gepubliceerd, de immateriële schade van belanghebbende ambtshalve is herbeoordeeld aan de hand van dit nieuwe kader. Dit nieuwe schadekader vormt echter geen aanleiding tot ophoging van de eerder door UHT berekende immateriële schade.

Wel komt belanghebbende volgens UHT op basis van dit gewijzigde kader in aanmerking voor een aanvullende vergoeding voor regelzaken van €300 per huishouden per gedupeerd toeslagjaar en een forfaitaire vergoeding voor de tot nog toe gevoerde procedures van € 200. Deze aanvullende schadevergoeding moet worden verrekend met de eerder vastgestelde definitieve compensatie en het ontvangen surplus op basis van de Catshuisregeling.

Hiernaast hanteert CWS op grond van het schadekader een vaste vergoeding van €500 (inclusief wettelijke rente) per huishouden voor de tijd en kosten die ouders kwijt zijn aan de procedure bij de CWS. Deze vergoeding hoeft niet te worden verrekend met de eerder vastgestelde definitieve compensatie en het ontvangen surplus op basis van de Catshuisregeling.

De Commissie adviseert UHT om aan haar toezeggingen in de schriftelijke reacties gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar.

Beschouwingen na de hoorzitting
De Commissie heeft de partijen aan het slot van de hoorzitting op 17 oktober 2024 in de gelegenheid gesteld om een aanvullende beschouwing aan te leveren.

Belanghebbende volhardt in haar stelling dat zij in toeslagjaar 2013 inkomen genoot uit loondienst voor haar werkzaamheden als tandartsassistente. Zij zou hiermee in toeslagjaar 2014 zijn doorgegaan als B/T de KOT niet had stopgezet. De problemen zijn volgens haar te wijten aan haar intermediair van destijds. Uit de beschikbare informatie maakt de Commissie op dat de stopzetting en terugvordering van KOT in 2014 het gevolg zijn geweest van een wijziging die belanghebbende zelf heeft doorgegeven. Vervolgens hebben er verrekeningen plaatsgevonden met andere toeslagen. B/T heeft een wettelijke bevoegdheid hiertoe. Omdat dit geen onrechtmatig handelen van B/T was in de zin van art. 2.1 Wht, kon CWS dit ook niet meenemen in haar advies.

Bij bestudering van de stukken in het bezwaardossier heeft de Commissie geen
aanknopingspunten gevonden waaruit volgt dat belanghebbende een inkomen uit loondienst genoot in 2013 of dat zij daarmee in 2014 door zou zijn gegaan als de KOT niet was stopgezet. Belanghebbende is om aanvullende informatie gevraagd en is ook na de hoorzitting in de gelegenheid gesteld deze aan te leveren. Dit heeft zij echter niet gedaan.

Advies CWS en beslissing UHT
De Commissie overweegt dat uit het CWS-advies voldoende blijkt dat sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek en dat het advies deugdelijk, gemotiveerd, inzichtelijk en consistent is (vgl. CRvB 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226). Gelet op alle bekende feiten en omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat CWS van onjuiste feiten en omstandigheden is uitgegaan. De Commissie acht
het voldoende inzichtelijk gemaakt waarom voor de verschillende schadeposten onvoldoende sprake is van een causaal verband met de KOT affaire.

De Commissie acht het advies van de CWS op dit onderdeel begrijpelijk en navolgbaar en adviseert het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskosten
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Ingevolge artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden proceskosten alleen vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Die laatste
situatie doet zich hier niet voor. De aanpassing van de compensatieberekening stoelt slechts op het feit dat na de beschikking waarvan bezwaar door de CWS nieuw beleid is vastgesteld. De Commissie adviseert UHT daarom om geen
vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen overeenkomstig hetgeen UHT in deze bezwaarprocedure heeft gesteld en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

De Secretaris De voorzitter