BAC 2022-10331
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 12 september 2022 (UHT-DC-I A en UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 22 november 2024 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 29 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen
van 12 september 2022 met kenmerk UHT-DC I A en UHT-DH5 A te herroepen.
Verder adviseert de Commissie het verzoek voor een vergoeding van de
proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 23 juni 2022 met kenmerken UHT-DC I en UHT-DH5 A inzake de toeslagjaren 2012 tot en met 2017.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013. Op 1 juni 2022 heeft zij haar verzoek uitgebreid met de toeslagjaren 2014 tot en met 2017.
- UHT heeft bij beschikking van 21 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling op 29 juni 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
- Op 12 september 2022 heeft UHT bij bestreden beschikkingen met kenmerken
UHT-DC I A en UHT-DH5 A aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht op compensatie heeft voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2017 omdat er geen sprake is geweest van vooringenomenheid dan wel hardheid. - Gemachtigde heeft bij brief van 20 september 2022 tegen deze beschikkingen
bezwaarschriften ingediend. - Gemachtigde heeft bij brief van 31 mei 2023 de bezwaarschriften aangevuld.
- UHT heeft op 28 juli 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 10 oktober 2024 heeft gemachtigde schriftelijk gereageerd op het verweerschrift van UHT.
- Op 22 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 27 december 2024 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op
1 januari 2025 schriftelijk op gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie stelt vast dat de jaren 2013 en 2014 niet meer in geschil zijn. In de
aanvullende beschouwing van 27 december 2024 heeft UHT het standpunt ingenomen dat over deze jaren alsnog een compensatie van € 40.234 wordt toegekend omdat sprake is van vooringenomen handelen. UHT heeft daarbij, onder verwijzing naar de bij die aanvullende beschouwing behorende bijlage, uiteengezet hoe de compensatieberekening tot stand is gekomen. Omdat belanghebbende al een bedrag van € 30.000 heeft ontvangen, krijgt zij nog een bedrag van € 10.234. De Commissie adviseert UHT op dit onderdeel het bezwaar gegrond te verklaren en de bestreden besluiten op dit punt te herroepen.
De Commissie ziet zich verder geplaatst voor de beantwoording van de vragen of UHT terecht heeft besloten het jaar 2012 niet als, kortweg, compensatiejaar aan te merken en of dat een verzoek om herziening van de definitieve vaststellings-beschikking KOT in toeslagjaar 2017 mogelijk is.
Toeslagjaar 2012
Belanghebbende stelt dat UHT er ten onrechte vanuit is gegaan dat er evident geen recht bestaat op KOT voor de maanden mei tot en met december 2012. Volgens
belanghebbende is de KOT per 1 mei 2012 stopgezet maar heeft zij hierover nooit een brief gekregen van B/T. De enkele aanname dat belanghebbende zelf zou hebben aangegeven dat er geen opvang is afgenomen in die maanden kan niet tot de conclusie leiden dat er geen recht bestaat op KOT.
De Commissie stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat belanghebbende niet zelf per 1 mei 2012 de KOT heeft stopgezet. Dat belanghebbende destijds niet geïnformeerd is over de reden van deze stopzetting kan in beginsel als vooringenomen handeling worden aangemerkt. Belanghebbende heeft namelijk op deze wijze onvoldoende de gelegenheid gekregen om het recht op KOT voor heel 2012 aannemelijk te maken vóór de datum van de beschikking naar aanleiding van de stopzetting. De Commissie is echter van oordeel dat deze vooringenomen handeling niet tot schade heeft geleid.
Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er opvang is afgenomen na 25 april 2012. Waar belanghebbende voor de jaren 2013 en 2014 wél kinderopvangfacturen heeft overgelegd, heeft zij dat voor 2012 niet gedaan. Daarnaast heeft UHT tijdens de hoorzitting de KOI-viewer bekeken. Uit de KOI-viewer en het LIC overzicht volgt dat de kinderen van belanghebbende in de periode 1 januari tot en met 25 april 2012 kinderopvang hebben genoten voor 229 uur. Dit komt overeen met wat belanghebbende zelf heeft verklaard in een eerder stadium aan UHT. De Commissie adviseert het bezwaar van belanghebbende op dit punt ongegrond te verklaren.
De Commissie merkt op dat de, uit de nader overgelegde stukken blijkende, OG/S
kwalificatie voor de jaren 2013 en 2014 vervalt omdat deze beide jaren alsnog worden gecompenseerd op basis van de reguliere compensatieregeling tot een bedrag van € 40.234. De OG/S kwalificatie voor het jaar 2012 blijft in stand.
Deze bedraagt 30% van € 8.686 = € 2.606. Daarmee bedraagt de totale compensatie waarop belanghebbende aanspraak kan maken € 40.234 + € 2.606 = € 42.808.
Toeslagjaar 2017
Belanghebbende stelt dat er in 2017 het gehele jaar kinderopvang is afgenomen en kan dit onderbouwen met facturen. Zij verzoekt UHT om in overleg met de Dienst Toeslagen te treden en te bezien of de KOT alsnog kan worden toegekend op basis van de kinderopvangkosten in 2017.
De Commissie wijst belanghebbende er allereerst op dat een verzoek om herziening buiten de omvang van deze procedure valt. Bovendien geldt dat een verzoek tot herziening tot vijf na het einde van het jaar waarover de beslissing gaat kan worden ingediend. Indien de definitieve beschikking later is vastgesteld dan het desbetreffende jaar, wordt de mogelijkheid daartoe nog met een jaar verlengd. Tijdens de hoorzitting heeft UHT aangegeven het verzoek om herziening intern te signaleren en door te sturen naar de juiste afdeling binnen de Dienst Toeslagen.
De Commissie adviseert UHT dit dan ook te doen, maar verder het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en de
Commissie adviseert tot herroeping van de bestreden beschikkingen met kenmerken UHT-DC I A en UHT-DH5 A, adviseert de Commissie UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen (wegingsfactor twee).
Conclusie en advies
De Commissie adviseert UHT bij beslissing op bezwaar:
- het bezwaar tegen de beschikkingen met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A deels gegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen te herroepen met betrekking tot de toeslagjaren 2013 en 2014;
- de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot de datum van de
beslissing op bezwaar, daarbij inbegrepen de berekeningen voor de compensatie tot heden met inachtneming van de wettelijke maximering; - het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van 2 procespunten met een wegingsfactor 2. De Commissie adviseert daarbij de hoogste vergoeding per
procespunt toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter