Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-10238

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 20 september 2022 (UHT-DC I, UHT-DC-I A, UHT-DH5 A)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 28 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking met
kenmerk UHT-DC I op onderdelen te herroepen, de compensatie opnieuw te
berekenen met inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe
te kennen.

Onderwerp van advies

De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende
bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 33.075 voor het toeslagjaar 2008 en geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2009.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 7 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de
    kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2008 en 2009.
  • UHT heeft bij beschikking van 3 juni 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan
    belanghebbende meegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een betaling van
    € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 28 april 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende het toeslagjaar 2009 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 24 juni 2022 aan belanghebbende
    meegedeeld dat hij een compensatie krijgt voor een bedrag van € 32.923.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking gedateerd 20 september 2022 met
    kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een
    bedrag van € 33.075 voor het toeslagjaar 2008.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen gedateerd 20 september 2022 met
    kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A aan belanghebbende geen compensatie
    toegekend voor het toeslagjaar 2009.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 19 september 2022 tegen deze beschikkingen
    drie bezwaarschriften ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 9 oktober 2023 de bezwaarschriften aangevuld.
  • UHT heeft op 15 juli 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Gemachtigde heeft op 19 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het schriftelijke verweer van UHT.
  • Gemachtigde heeft op 3 maart 2025 de Commissie geïnformeerd dat hij en
    belanghebbende niet aanwezig zullen zijn bij de hoorzitting en dat het bezwaar op basis van de stukken kan worden afgedaan.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter en commissieleden, heeft de bezwaren behandeld en dit advies uitgebracht.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het toeslagjaar 2008 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het toeslagjaar 2009 af te wijzen.

Verschil met laatst vastgestelde beschikking KOT (component f)
Belanghebbende voert aan dat niet inzichtelijk is hoe UHT is gekomen tot het bedrag van € 15.351 voor component f. UHT stelt in haar schriftelijke verweer dat is uitgegaan van het juiste bedrag voor component f. In de toelichting van de compensatieberekening van UHT wordt uitgelegd dat het bedrag van € 14.346, de KOT die belanghebbende alsnog heeft ontvangen, wordt opgeteld bij het bedrag van € 451 van de laatst vastgestelde beschikking van 14 oktober 2010 en wordt vermeerderd met de aan belanghebbende vergoede toeslagrente.
Bij de beschikkingen van 14 oktober 2010 en 4 augustus 2015 zijn bedragen van
€ 472 en € 82 aan toeslagrente vergoed aan belanghebbende. In totaal komt dit uit op het bedrag van € 15.351. De Commissie volgt UHT in haar standpunt dat component f correct is berekend en adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Rentevergoeding gemiste KOT
Belanghebbende stelt dat is uitgegaan van een onjuiste startdatum bij de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT. UHT stelt in haar schriftelijke reactie dat de rentevergoeding over de gemiste KOT onjuist is berekend. Zij stelt belanghebbende in het gelijk in deze zin dat als startdatum van 1 juli 2009 dient te worden uitgegaan.

De Commissie acht het bezwaar op dit punt gegrond en adviseert UHT de
rentevergoeding voor het toeslagjaar 2008 aan te passen van € 9.399 naar
€ 9.552.

Vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende stelt dat bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade ten onrechte is uitgegaan van de datum van de eerste onterechte vermindering, 8 september 2009. Hij stelt dat van 1 juli 2009 dient te worden uitgegaan als startdatum.

De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht de forfaitaire
vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van de KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor de KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. De Commissie stelt vast dat op grond van dit wettelijke kader bij beschikking van 23 september 2009 de KOT voor het toeslagjaar 2008 voor het eerst is verlaagd. De Commissie begrijpt uit het standpunt van UHT dat als startdatum voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade 8 september 2009 is toegepast, omdat dit de datum is van een interne melding van de eerste onterechte verlaging van de KOT. De Commissie kan zich verenigen met deze gekozen startdatum omdat dit voordelig voor belanghebbende is.

Aangezien het bezwaar gedeeltelijk gegrond is, dient de periode waarover de immateriële schade wordt berekend door te lopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar.
De aanpassing van de diverse componenten heeft ook gevolgen voor de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal.

Werkelijke schade
Belanghebbende stelt dat een hoger bedrag aan vergoeding voor immateriële schade dient te worden toegekend, omdat hij en zijn gezin ernstig hebben geleden door de fouten van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Ook stelt hij dat hij schade heeft geleden door het niet kunnen gebruikmaken van KOT terwijl hij wel kosten voor kinderopvang heeft gemaakt.

De Commissie overweegt dat deze bezwaarprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade bestemd. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Afwijzing compensatie 2009
Belanghebbende stelt dat over het toeslagjaar 2009 sprake is van vooringenomen
handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel, omdat hij een onterechte
terugvordering van de KOT van een bedrag van € 3.998 heeft betaald. Hij stelt dat dit bedrag niet aan hem is terugbetaald, terwijl dit was toegezegd in de beslissing op bezwaar met betrekking tot het toeslagjaar 2008. UHT stelt dat geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid, en dat het bedrag van € 3.998 ten goede is gekomen aan belanghebbende.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2009 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De KOT is, na aanvankelijke automatische continuering, stopgezet op 19 januari 2009, omdat het gastouderbureau per 1 januari 2009 is opgeheven. Hierover heeft B/T contact opgenomen met belanghebbende. De KOT is vervolgens op 3 februari
2009 op nihil gesteld. De KOT voor de maanden januari en februari 2009 is niet
uitbetaald aan het gastouderbureau of aan belanghebbende, maar is wel bij
belanghebbende teruggevorderd. In de beslissing op bezwaar van 29 september 2010 met betrekking tot het toeslagjaar 2008 is toegezegd dat de geblokkeerde KOT voor de maanden januari en februari van het toeslagjaar 2009 aan belanghebbende zal worden uitbetaald. Deze bedragen zijn niet uitbetaald, omdat hij geen recht had op KOT doordat het gastouderbureau was opgeheven.
De onterechte terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2009 is niet volledig aan belanghebbende terugbetaald, omdat de KOT-schuld over het toeslagjaar 2008 tot een bedrag van € 3.250 hiermee is verrekend. De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die over het toeslagjaar 2008 aan de KOT is gegeven. Belanghebbende heeft over het laatstgenoemde jaar een compensatie ontvangen. In de berekening van het compensatiebedrag is het bedrag aan verrekeningen begrepen. De verrekeningen op zichzelf houden dus geen schadepost in. De onderhavige bezwaarprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding
van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat hem aanvullende
compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan hij een verzoek daartoe indienen bij de Commissie Werkelijke Schade.
Het overige bedrag van € 748 dat niet is verrekend, is op 19 januari 2011 door B/T terugbetaald. Dit bedrag is niet uitbetaald op het rekeningnummer van belanghebbende zoals genoemd in de beslissing op bezwaar met betrekking tot het toeslagjaar 2008. De Commissie heeft echter geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen oordelen dat dit bedrag niet aan belanghebbende ten goede is gekomen. Het bedrag is uitbetaald op een rekeningnummer waarop vaker KOT is uitbetaald. Bij dit rekeningnummer staat op de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum vermeld dat dit behoort tot de ouder of een relatie in de eerste graad. Gelet op deze omstandigheden gaat de Commissie ervan uit dat dit bedrag op een andere rekening van belanghebbende of zijn partner is uitbetaald. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar gericht tegen de beschikking met het kenmerk UHT-DCH naar het
oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (indienen bezwaarschrift). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en:

  • in de compensatieberekening de rentevergoeding over gemiste KOT voor het
    toeslagjaar 2008 aan te passen naar € 9.552;
  • de vergoeding voor de immateriële schade opnieuw te berekenen en uit te gaan
    van de einddatum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen;
  • de aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) aan te passen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe
    te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter