Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-10202

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Bestreden beschikking: 5 augustus 2022 (UHT-HD CWS)

Hoorzitting: 28 april 2025 om 10:15 uur

Overdracht aan UHT: 15 mei 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de aanvullende compensatie
opnieuw te berekenen, met toepassing van het gewijzigde schadekader van de
Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) en met inachtneming van dit advies, en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT
genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van CWS.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) een
aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 8.585.

Op 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) in werking
getreden. Gelet op de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 14 september 2021 verzocht om een aanvullende
    compensatie voor de werkelijke schade.
  • CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op
    10 mei 2022 aan UHT toegestuurd.
  • UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij de bestreden beschikking van
    5 augustus 2022 met kenmerk UHT-HD CWS aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 8.585.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 26 augustus 2022 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • CWS heeft naar aanleiding van het aanvullende bezwaarschrift op 13 december
    2023 een aanvullend advies aan UHT toegestuurd waarin zij adviseert geen
    hogere aanvullende compensatie toe te kennen.
  • De gemachtigde heeft bij brief van 24 februari 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 16 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • UHT heeft op 27 december 2024 een aanvullende beschouwing ingediend naar
    aanleiding van het gewijzigde schadekader van CWS.
  • Op 28 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een
    verslag gemaakt, dat aan dit advies is gehecht.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden, heeft het bezwaar behandeld en dit advies uitgebracht.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende stelt dat de vergoeding voor immateriële schade te laag is vastgesteld gezien het leed dat zij en haar kinderen hebben ervaren door de problemen met KOT. Zij heeft ook aangevoerd dat de procedure bij CWS niet op juiste wijze is verlopen. Zij heeft hierdoor veel stress ervaren.

Het advies van CWS is uitgebracht voordat het nieuwe schadekader van CWS is
gepubliceerd. Op grond hiervan heeft UHT de vergoeding voor immateriële schade
opnieuw berekend. Omdat de vergoeding voor immateriële schade wordt verrekend met de vergoeding die reeds is toegekend, kent UHT een aanvullende vergoeding voor immateriële schade toe voor een bedrag van € 3.500.

UHT heeft de vergoeding voor de stressvolle tijd als gevolg van de problemen met KOT onder bouwsteen E berekend tot de datum van het primaire advies van CWS. De Commissie overweegt dat op basis van het nieuwe schadekader doorgaans het datum van het advies van CWS wordt aangehouden als het moment van herstel. Dit kan echter onder bepaalde omstandigheden een ander moment zijn. Belanghebbende heeft veel stress ervaren door het verloop van de procedure bij CWS. Naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende heeft een hoor-gesprek plaatsgevonden bij CWS, dat tot een aanvullend advies heeft geleid.
De Commissie is van oordeel dat bij de berekening van deze bouwsteen dient te worden uitgegaan van de datum van het aanvullende advies, 13 augustus 2023, als het moment van herstel. De Commissie adviseert UHT dit aan te passen in de beslissing op bezwaar.

De Commissie acht de uiteenzetting van UHT over de toetsing van het nieuwe
schadekader van CWS aan de overige zogenoemde bouwstenen begrijpelijk en zorgvuldig en ziet ten aanzien hiervan in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden tot een ander oordeel.

Vervangende opvangkosten en reiskosten
Belanghebbende stelt dat zij in de jaren 2009 tot en met 2012 extra vervangende opvangkosten heeft gemaakt. Zij stelt dat zij hiervoor € 300 per maand heeft betaald en dat zij hiervoor ook reiskosten heeft gemaakt.

CWS heeft in haar advies geen vergoeding voor deze kosten toegekend, omdat
onvoldoende duidelijkheid bestaat over hoe de vervangende kinderopvang destijds werd geregeld en wat de omvang van de kosten was. UHT kent op basis van het nieuwe schadekader van CWS een vergoeding toe voor de vervangende opvangkosten voor vijf maanden, omdat de problemen met KOT in april 2011 begonnen en het kind van belanghebbende per 1 september 2011 naar het voortgezet onderwijs is gegaan. Dit komt uit op een bedrag van € 1.250. Voor de verletdagen en reiskosten kent UHT aan belanghebbende een forfaitaire vergoeding van € 300 per gedupeerd toeslagjaar. Dit komt uit op een vergoeding van € 900. Omdat deze vergoedingen worden verrekend met de vaste (“forfaitaire”) vergoeding voor materiële schade die belanghebbende op grond
van de definitieve compensatiebeschikking van 20 september 2021 heeft ontvangen, heeft UHT beslist dat zij hiervoor geen aanvullend compensatiebedrag zal uitbetalen.

De Commissie acht de uiteenzetting van UHT over de vergoeding voor deze kosten op basis van het nieuwe schadekader van CWS begrijpelijk en zorgvuldig en ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen.

Inkomens- en pensioenschade
Belanghebbende voert aan dat zij door de problemen met KOT haar opleiding niet heeft kunnen afronden, waardoor zij minder goede kansen had op de arbeidsmarkt. Zij stelt dat zij hierdoor inkomens- en pensioenschade heeft geleden. UHT volgt het standpunt van CWS dat het niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende inkomens- en pensioenschade heeft geleden door de problemen met KOT.

De Commissie overweegt hierover als volgt. Belanghebbende is begonnen met haar opleiding in 2006 en zij zou deze afronden in 2010. Belanghebbende heeft gezegd dat zij in 2009 met haar opleiding is gestopt. Belanghebbende is als gedupeerde aangemerkt over de toeslagjaren 2009 tot en met 2011.
De eerste terugvordering van de KOT over deze jaren vond plaats in april 2011.
De Commissie acht het advies van CWS dat het niet aannemelijk is dat belanghebbende is gestopt met haar opleiding door de problemen met
KOT in deze jaren en dat zij daardoor inkomens- en pensioenschade heeft geleden,
daarom voldoende gemotiveerd en begrijpelijk. De Commissie adviseert UHT dit
onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Kosten door verkoop meubels
Belanghebbende stelt dat zij zich genoodzaakt heeft gezien haar meubels te verkopen. Zij verzoekt hiervoor een vergoeding van € 2.500 te ontvangen.
CWS heeft in haar advies toegelicht dat de verkoop van meubels niet leidt tot schade, omdat hiervoor een geldbedrag wordt ontvangen. Wel kan een vergoeding worden toegekend wanneer aannemelijk is geworden dat de meubels onder de marktwaarde zijn verkocht. UHT volgt het standpunt van CWS dat zij geen aanleiding ziet een vergoeding toe te kennen.

De Commissie overweegt dat het niet voldoende aannemelijk is geworden dat het
noodzakelijk was voor belanghebbende om haar meubels te verkopen als gevolg van de problemen met KOT en dat deze onder de marktwaarde zijn verkocht.

De Commissie acht het advies van CWS op dit onderdeel daarom voldoende zorgvuldig en begrijpelijk en adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Vergoeding voor het voeren van de procedure bij CWS
UHT kent op grond van het gewijzigde schadekader een vaste vergoeding toe van
€ 500 (inclusief wettelijke rente) voor de tijd en kosten van het voeren van de procedure bij CWS. Deze vergoeding wordt niet verrekend met de al te ontvangen compensatie.

De proceskostenvergoeding
Nu de bestreden beschikking naar het oordeel van de Commissie dient te worden
herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de aanvullende compensatie ingevolge het gewijzigde schadekader van CWS en
    met inachtneming van dit advies opnieuw te berekenen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe
    te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste
    tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter