Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2021-02804

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 21 juni 2021 (UHT-DC I A)

Hoorzitting: 6 januari 2025 om 10.00 uur

Overdracht advies aan UHT: 24 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Door de gemachtigde is namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie
kinderopvangtoeslag van 21 juni 2021 (UHT-DC I A).

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Op 7 februari 2020 heeft belanghebbende verzocht om herbeoordeling van de
    kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2012.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 2 april 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 21 juni 2021 (UHT-DC I A) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2012. Ook de hardheidsregeling is niet van toepassing over deze periode.
  • Op 29 juli 2021 heeft belanghebbende een bezwaarschrift tegen deze beschikking ingediend.
  • Op 19 april 2022 heeft de gemachtigde aan UHT en de Commissie laten weten niet langer de gemachtigde van belanghebbende te zijn.
  • Op 7 mei 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 6 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Tijdens deze hoorzitting gaf belanghebbende aan niet over het bezwaardossier te beschikken en geen overleg met een advocaat c.q. gemachtigde te hebben gehad.
    Het bezwaardossier is haar tijdens de hoorzitting fysiek gegeven en een digitale versie is direct na de hoorzitting opgestuurd naar het e-mailadres van belanghebbende.
  • Belanghebbende heeft, op voorstel van de Commissie, vier (4) weken de tijd gekregen om haar bezwaar aan te vullen en met een (nieuwe) gemachtigde te overleggen. Belanghebbende heeft hier geen gevolg aan gegeven. Conform de afspraken gemaakt tijdens de voormelde hoorzitting, wordt het advies uitgebracht op de zich in het dossier bevindende stukken.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 leden van de Commissie.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2007 tot en met 2012 af te wijzen.

Onvolledig dossier
Belanghebbende stelt in haar bezwaarschrift dat het bezwaardossier onvolledig is. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn haar op 27 augustus 2024 digitaal toegezonden.

Belanghebbende heeft dit standpunt tijdens de hoorzitting herhaald. Aan haar is toen direct een fysiek afschrift van het volledige bezwaardossier (gelijk aan dat van de Commissie) gegeven. Ook is het dossier andermaal digitaal aan belanghebbende gestuurd.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat in deze zaak niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Terugvorderingen
Uit de stukken in het dossier leidt de Commissie af dat belanghebbende in eerste instantie een bijzonder hoge KOT is toegekend in 2007 voor een eveneens bijzonder hoog aantal opvanguren. Kennelijk is het voorschot destijds verstrekt op basis van 486 uren opvang per maand. Indien men uitgaat van een maand van
30 dagen zou dit neerkomen op ruim 16 uur opvang per dag, inclusief de weekenden. Gemiddeld kent een maand zo’n 22 werkdagen. Indien men alleen die werkdagen in ogenschouw neemt, zou dit een opvang van ruim 22 uur per dag betekenen. Dit is een absurd hoog aantal opvanguren per maand en B/T had dit destijds direct moeten opmerken.

In juli 2007 is het aantal opvanguren kennelijk gecorrigeerd naar 80 uren opvang per maand. Desondanks is het KOT-voorschotbedrag niet gewijzigd en heeft belanghebbende ook in toeslagjaren 2008 en 2009 te veel KOT als voorschot gekregen. Als gevolg hiervan heeft zij veel moeten terugbetalen.

Het is voor de Commissie duidelijk dat B/T destijds fouten heeft gemaakt bij de vaststelling van de voorschotten van de KOT. Een beoordeling daarvan valt echter buiten de reikwijdte van de Wht. De kans op fouten hangt samen met de door de wetgever gekozen systematiek bij de toekenning van KOT.

De Commissie overweegt dat, alhoewel B/T de door belanghebbende aangegeven wijziging van de opvanguren in 2007 niet binnen een redelijke termijn heeft verwerkt, de verplichting tot terugbetaling van de KOT over deze periode het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de
werkelijke, later vast te stellen aanspraak op een lager bedrag uitkomt. Aan een voorschot kan niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat een aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.

De Commissie stelt vast dat de KOT uiteindelijk is verlaagd naar aanleiding van minder afgenomen opvanguren, zoals is doorgegeven door de belanghebbende middels een wijzigingsformulier.

Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een eventuele vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om dit verzoek af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter