Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

BAC 2023-12098

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]

Primair besluit: 1 februari 2022 met kenmerken UHT-VC I en UHT-DH5 A en 9 maart 2022 met kenmerk UHTDC I

Hoorzitting: 11 november 2024

Overdracht advies aan UHT: 9 december 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening en
rentevergoeding opnieuw te berekenen evenals de vergoeding van de
immateriële schade en de aanvullende vergoeding. Ook adviseert de Commissie
een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 1 februari 2022 met kenmerk UHT-VC I en UHT DH5 A en definitieve beschikking van 9 maart 2022 met kenmerk UHT-DC I.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.687,- voor de
toeslagjaren 2013 en januari tot en met april 2014.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 juni 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2014. UHT heeft haar voorgenomen beschikkingen voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: CvW).
  • Volgens CvW bestaat geen recht op compensatie over de toeslagjaren 2010,
    2011, 2012 en de maanden mei tot en met december 2014. Er is wel sprake van
    vooringenomen handelen, maar evident geen recht op compensatie. Over het
    toeslagjaar 2013 en de maanden januari tot en met april 2014 is sprake geweest
    van vooringenomen handelen en dient belanghebbende te worden
    gecompenseerd. Ook heeft belanghebbende recht op de O/GS-tegemoetkoming
    over de toeslagjaren 2010, 2011, 2012 en de maanden mei tot en met december
    2014.
  • UHT heeft bij beschikking van 8 mei 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan
    belanghebbende medegedeeld dat hij wel in aanmerking komt voor een betaling
    van €30.000,-.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 1 februari 2022 met kenmerk UHT-VC I aan
    belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.569,-
    voor de toeslagjaren 2013 en 2014. Bij beschikking van dezelfde datum met
    kenmerk UHT-DH5 A is compensatie afgewezen over de toeslagjaren 2010 tot en
    met 2012.
  • UHT heeft bij definitieve beschikking van 9 maart 2022 met kenmerk UHT-DC I
    aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.687,-
  • Bij beschikking van 25 maart 2022 met kenmerk UHT-O OGS B is aan
    belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend van € 16.647,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 21 februari 2023 tegen de beschikkingen een
    bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 20 december 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 7 mei 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 11 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is
    een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de Commissie.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren
Geen schending inzagerecht en/of equality of arms
Volgens belanghebbende heeft UHT verzuimd stukken te overleggen, die voor de
beoordeling van het bezwaar relevant zijn. Het inzagerecht en de ‘equality of arms’
zouden hiermee geschonden zijn. De Commissie overweegt met betrekking tot deze
procedurele bezwaren als volgt.

Ingevolge artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken (ook wel: het inzagerecht).

UHT heeft een uitgebreid bezwaardossier ter beschikking gesteld, waaronder begrepen de door belanghebbende verlangde Informatie- en beoordelingsformulier, overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC) en definitieve berekeningen. Het komt de Commissie voor dat belanghebbende kan beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Het is gezien het voorgaande niet aannemelijk dat belanghebbende in zijn rechtspositie is geschaad door het niet overleggen van stukken. De fair balance tussen partijen is gedurende deze bezwaarprocedure niet in het geding gekomen.

De Commissie is gezien het voorgaande de opvatting toegedaan dat het inzagerecht en de ‘equality of arms’ in deze bezwaarprocedure niet zijn geschonden.

Beoordeling forfaitaire compensatieberekening toeslagjaren 2013 en 2014
Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen over de toeslagjaren
2013 en periode januari tot en met april 2014 vooringenomen jegens belanghebbende
heeft gehandeld. Hiervoor heeft UHT bij beschikking met kenmerk UHT-DC I, volgens de daarvoor geldende forfaitaire regeling van de Wht, belanghebbende een definitief
compensatiebedrag toegekend van € 27.687,-. Het compensatiebedrag is vastgesteld
aan de hand van een compensatieberekening.

Naar aanleiding van het bezwaar heeft UHT deze compensatieberekening nader bekeken en geconstateerd dat meerdere fouten zijn gemaakt, zowel in het nadeel als in het voordeel van belanghebbende. Het betreft onderdelen d, e, g, h, k en o over 2013 en onderdeel k en o over 2014. Onderdeel k (juridische kosten) betreft het toekennen van twee punten. Als gevolg hiervan moeten de onderdelen n, p en q ook worden aangepast. UHT heeft bij haar schriftelijke reactie een bijlage compensatieberekening gevoegd, waarin alle aanpassingen die zij bij beslissing op bezwaar wil doorvoeren zijn opgesomd. De Commissie heeft naar de voorgenomen aanpassingen gekeken en deze komen haar juist voor.

Gelet op het voorgaande slaagt het bezwaar tegen de bestreden beschikking. De
Commissie zal UHT adviseren de voorgestelde aanpassingen bij beslissing op bezwaar
door te voeren.

Compensatie over het toeslagjaar 2014
Volgens belanghebbende is ten onrechte geen compensatie toegekend over de periode van mei tot en met december 2014, nu hij op 7 december 2023 nog een nabetaling KOT van € 5.024,- heeft ontvangen van de Belastingdienst/Toeslagen. De nabetaling KOT ziet op de maanden januari tot en met maart 2014. Dit zijn de maanden waarvoor belanghebbende is gecompenseerd. In de maanden mei tot en met december 2014 is er sprake van evident geen recht. Belanghebbende heeft zelf de KOT stopgezet per 1 april 2014 omdat hij in detentie zat vanaf die datum. De Commissie ziet om die reden geen aanleiding het standpunt van UHT, dat er geen recht is op compensatie, onjuist te achten. Wel heeft belanghebbende over die maanden een O/GS-tegemoetkoming ontvangen.

Beoordeling toeslagjaren 2010, 2011 en 2012
Belanghebbende stelt dat ook de toeslagjaren 2010, 2011 en 2012 gecompenseerd
moeten worden. Er is door UHT vastgesteld dat vooringenomen was gehandeld,
belanghebbende zou echter evident geen recht op KOT hebben gehad. Volgens
belanghebbende was sprake van kinderopvang en kwam hij daar als ‘doelgroeper’ voor in aanmerking. Belanghebbende heeft een diploma overgelegd van 2 augustus 2012 van een inburgeringscursus. Deze cursus zou minimaal een jaar hebben geduurd.

UHT geeft aan dat uit de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen niet volgt dat
sprake is geweest van kinderopvang. Uit het diploma volgt verder niet wanneer
belanghebbende zou zijn gestart met de inburgeringscursus en dus over welke periode
recht zou hebben bestaan op KOT. UHT verwijst naar de mailberichten van de gemeente Den Haag en van COKD kinderopvang. Er zou in 2010 en 2011 geen inburgeringscursus zijn gevolgd volgens de gemeente en volgens COKD kinderopvang was het gezin niet bekend bij hen in de jaren 2010 en 2011. Voor wat betreft het toeslagjaar 2012 heeft belanghebbende op het antwoordformulier 2012 ingevuld dat hij geen gebruik heeft gemaakt van opvang.


De Commissie acht het aannemelijk dat belanghebbende ‘doelgroeper’ was over een
periode dat hij de inburgeringscursus volgde. De Commissie acht het echter gelet op
hierboven vermelde onvoldoende aannemelijk dat er kinderopvang is afgenomen in 2010 en 2011. Op 7 juli 2014 is een beslissing op bezwaar genomen op het bezwaar van belanghebbende tegen de nihil stellingen van 2010 en 2011. Het bezwaar was
ongegrond. Belanghebbende heeft ook in deze procedure geen stukken overgelegd
waaruit blijkt dat hij recht had op KOT in deze jaren. Op het antwoordformulier 2012
heeft belanghebbende de volgende opmerking geschreven: “ik ben bezig met het
aflossen van het door mij ten onrechte ontvangen bedrag”. De Commissie ziet geen
aanleiding het standpunt van UHT dat dit bezwaarpunt ongegrond is, onjuist te achten.

Startdatum voor de berekening van de vergoeding immateriële schade
Belanghebbende stelt dat de startdatum voor de berekening van de immateriële schade 16 januari 2015 moet zijn. Dit betreft de datum van de eerste neerwaartse correctie, die volgt uit een interne memo. Uit het dossier volgt dat de startdatum 27 februari 2015 is (datum van de nihil stelling). De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. UHT hanteert echter het voor belanghebbenden gunstiger beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste vooringenomen handeling door de Belastingdienst/Toeslagen. Naar de opvatting van de Commissie moet dit beleid ook voor belanghebbende worden gevolgd. De Commissie zal UHT daarom adviseren de beschikking overeenkomstig dit van de Wht afwijkende, maar voor belanghebbende gunstiger, beleid aan te passen en uit te gaan van de datum van 16 januari 2015.

Vergoeding immateriële schade tot het moment van de beslissing op bezwaar
De Commissie overweegt dat de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade een
vergoeding is voor veronderstelde stress, ongemak en onzekerheid die belanghebbende ervaart omdat het lang duurt voordat de compensatie definitief is berekend. Belanghebbende heeft door de bezwaarprocedure langer moeten wachten op de definitieve berekening van haar compensatie en hiervan stress ervaren die nog steeds voortduurt.

UHT heeft bij beschouwing in deze bezwaarprocedure aangegeven dat de einddatum van de forfaitaire vergoeding voor de immateriële schade het moment van de beslissing op bezwaar zal worden. De Commissie zal UHT dienovereenkomstig adviseren de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade van belanghebbende te berekenen tot het moment van de beslissing op bezwaar.

Schending motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Nu de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I niet in stand kan blijven, zoals
hierboven omschreven, staat daarmee vast dat de totstandkoming onvoldoende
zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar dient te worden
verbeterd.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar deels gegrond acht, adviseert de Commissie om het
verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.

Conclusie

De Commissie adviseert UHT bij beslissing op bezwaar:

  • het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I deels gegrond te verklaren;
  • de bedragen in de compensatieberekening vast te stellen, conform de berekening
    in de bijlage compensatieberekening, en daarbij:
  • de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot de datum van de
    beslissing op bezwaar;
  • de rentevergoeding voor gemiste KOT vast te stellen zoals in de
    compensatiebijlage bij de beschouwing van UHT;
  • de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal van het compensatiebedrag
    aan te passen;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van 2 procespunten met een
    wegingsfactor 2. De Commissie adviseert daarbij de hoogste vergoeding per
    procespunt toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter