BAC 2022-12060
Publicatiedatum 22-07-2025
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]
Primair besluit: 14 september 2022 met kenmerken UHT-DC-I, UHT-DC-I A en UHT-DH A
Ontvangst bezwaarschrift: 18 oktober 2022
Hoorzitting: 26 maart 2024
Overdracht advies aan UHT: 2 mei 2024
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen beschikking UHT-DC-I gedeeltelijk gegrond te verklaren en de overige bezwaren ongegrond te verklaren en een vergoeding voor de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Gemachtigde heeft namens belanghebbende bij bezwaarschrift van 17 oktober 2022 bezwaar ingediend tegen de onderscheiden besluiten van 14 september 2022 waarbij belanghebbende is meegedeeld:
- dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2016 en juli tot en met oktober 2017 gebleken is dat er fouten zijn gemaakt en dat zij derhalve aanspraak maakt op een (definitief) compensatiebedrag van in totaal € 11.288. Dit bedrag is aangevuld tot € 30.000 (UHT-DC-I);
- dat er bij de herbeoordeling over toeslagjaren januari tot en met juni en november en december 2017, 2018 en 2019 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende derhalve over deze tijdvakken geen aanspraak maakt op compensatie (UHT-DC-I A);
- dat niet is gebleken dat de KOT van belanghebbende over 2017, 2018 en 2019 te laag is vastgesteld noch dat Belastingdienst/Toeslagen te streng was bij het uitvoeren van de regels van de KOT (over 2015) en dat zij daarom geen aanspraak maakt op een tegemoetkoming (UHT-DH A).
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het
bepaalde in artikel 8.6 en 9.2 Wht worden de bestreden beschikkingen geacht te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Op 31 december 2020 heeft belanghebbende een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar KOT.
- Op 13 juni 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht over toeslagjaren 2016 tot en met 2019. De CvW heeft overwogen dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2017 (met uitzondering van de periode 17 juli tot en met 27 oktober), 2018 en 2019. Voor toeslagjaar 2016 en voor de periode 17 juli 2017 tot en met 27 oktober 2017 is de compensatieregeling wel van toepassing.
- Op 14 september 2022 zijn de hierboven genoemde besluiten genomen.
- Bij bezwaarschrift van 17 oktober 2022 heeft gemachtigde bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.
- Op 10 november 2023 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 26 maart 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- De Commissie heeft dit advies behandeld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Gelet op de samenhang die bestaat tussen de beschikkingen UHT-DC-I, UHT-DC-I A en UHT-DH A, zal de Commissie het bezwaar tegen de (onderscheiden) beschikkingen gevoegd behandelen.
UHT-DC-I (herbeoordeling 2016 en juli 2017 tot en met oktober 2017)
Rentevergoeding over gemiste KOT
In de schriftelijke reactie heeft UHT aangegeven dat de berekening voor de toeslagrente onjuist is berekend en dat deze vergoeding berekend had moeten worden tot 14 september 2022 in plaats van tot 2 september 2022. De Commissie kan zich in deze benadering vinden en adviseert de vergoeding voor de rente over gemiste KOT in de beslissing op bezwaar in de aangegeven zin opnieuw te berekenen. Het bezwaar van belanghebbende treft op dit punt doel.
Immateriële schadevergoeding
UHT heeft in de schriftelijke reactie uiteengezet dat de vergoeding voor de immateriële schade onjuist is vastgesteld in de compensatieberekening. De vergoeding had moeten worden berekend van 22 augustus 2016 tot en met 14 september 2022 (in plaats van 27 juni 2016 tot en met 2 september 2022). Ten aanzien van de einddatum overweegt de Commissie als volgt.
UHT heeft aangegeven dat nu de rente over gemiste KOT moet worden herberekend, de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade dient te worden doorberekend tot aan de datum van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade bij de beslissing op bezwaar opnieuw dient te worden vastgesteld. De Commissie kan zich in deze benadering vinden en adviseert de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade door te berekenen tot aan de datum van de beslissing op bezwaar. Het bezwaar van belanghebbende treft op dit punt doel.
Aanvullende vergoeding van 1 procent
Het advies van de Commissie om de vergoeding voor de rente over gemiste KOT te herberekenen en de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade aan te passen, leidt ertoe dat de aanvullende vergoeding van 1 procent in de beslissing op bezwaar over een hoger subtotaal moet worden berekend dan het geval is in de definitieve compensatiebeschikking.
UHT-DC-I A en UHT-DH A (herbeoordeling en compensatie januari 2017 tot en met juni 2017, november en december 2017, 2018 en 2019)
In de periode van 1 januari 2017 tot en met 16 juli 2017, 28 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 en 2018 is er geen kinderopvang genoten bij een geregistreerde kinderopvanginstelling. Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende aangegeven te beschikken over een e-mailbericht waarin een (erkende) kinderopvanginstelling bevestigt dat haar kinderen aldaar kinderopvang hebben genoten in 2018. Na de hoorzitting heeft gemachtigde laten weten dat belanghebbende geen documenten meer heeft kunnen traceren betreffende de inschrijving kinderopvang voor 2018.
Als er geen geregistreerde opvang is genoten, bestaat er geen aanspraak op KOT en daardoor kan geen sprake zijn van door belanghebbende geleden schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Dat de familie van belanghebbende op haar kinderen heeft gepast, maakt dit niet anders.
Uit de stukken blijkt niet dat in 2019 neerwaartse correcties hebben plaatsgevonden. Evenmin is gebleken dat er terugvorderingen zijn geweest.
De handelwijze van B/T in dat jaar geeft geen blijk van institutionele vooringenomenheid. Daarvan blijkt ook niet uit de stukken. Evenmin is sprake van onbillijkheden van overwegende aard. Niet is gebleken dat de KOT in bovengenoemde periodes te laag is vastgesteld.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- het bezwaar tegen de beschikking UHT-DC-I (gedeeltelijk) gegrond te verklaren, de compensatieberekening terzake aan te passen zoals in de schriftelijke reactie en tijdens de hoorzitting is aangegeven en voor het overige in stand te laten en een proceskostenvergoeding toe te kennen, daarbij 2 procespunten toe kennen met een wegingsfactor 2 en daarbij het hoogste bedrag per procespunt te hanteren;
- de beschikkingen UHT-DC-I A en UHT-DH A in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter