Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

BAC 2022-12038

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]

Primair besluit: 30 september 2022 met kenmerken UHT-DC-I A en UHT DH5
A

Hoorzitting: 8 oktober 2024

Overdracht advies aan UHT: 7 november 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Bezwaarschrift 1
Het door gemachtigde ingediende bezwaarschrift d.d. 10 november 2022, binnengekomen op 14 november 2022, gericht tegen de door UHT
t.a.v. de toeslagjaren 2010, 2011, 2013 tot en met 2016 genomen definitieve
beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van 30 september 2022 (UHT-DC I A).

Bezwaarschrift 2
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift d.d. 10
november 2022, binnengekomen op 14 november 2022, gericht tegen de door UHT ten aanzien van de toeslagenjaren 2010, 2011, 2013 tot en met 2016 genomen beschikking herbeoordeling KOT van 30 september 2022 (UHT-DH5 A).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2011, 2013 tot en met 2016.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 21 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010, 2011, 2013 tot en met 2017.
  • UHT heeft bij beschikking van 26 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld
    dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 8 september 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
    geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van
    institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikkingen van 30 september 2022 (UHT-DC-I A en
    UHT-DH5 A) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op
    compensatie voor de jaren 2010, 2011, 2013 tot en met 2016.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 10 november 2022, ingekomen op 14
    november 2022, tegen deze beschikkingen bezwaar ingediend.
  • UHT heeft op 18 juni 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 8 oktober 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is
    een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 14 oktober 2024
    de aanvullende stukken ingediend en toegezonden aan gemachtigde.
    Gemachtigde heeft daar niet op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de Commissie.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Geen compensatie
Belanghebbende stelt dat zij wel recht heeft op compensatie.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning,
aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2010, 2011, 2013 tot en met 2016 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de
Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel als bedoeld in
de Wht. De (hoogte van de) terugvorderingen KOT zijn door UHT in de schriftelijke
reactie nader onderbouwd en deze komen voort uit reguliere wijzigingen. De bijstellingen zijn daarmee conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven, gelet op artikel 2.1, lid 1, onder b Wht, in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde
hardheidstegemoetkoming.
Belanghebbende komt voor deze jaren dus niet in aanmerking voor compensatie op
grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het
bezwaar ongegrond te verklaren.

Motivering
Belanghebbende stelt dat de bestreden besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd. Ten
aanzien van de motivering van de besluiten overweegt de Commissie dat UHT de
bestreden beslissingen inderdaad niet uitvoerig heeft toegelicht, maar dat dit niet
impliceert dat er van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is.
De Commissie is van mening dat door middel van het indienen van het
schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van het invul- en
beoordelingsformulier, beschikkingen en overige producties, de bestreden besluiten
voldoende zijn onderbouwd.

Ontbrekende stukken/volledige dossier/equality of arms
Gemachtigde stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden
beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn. De Commissie volgt dit standpunt
niet. De schriftelijke reactie van UHT en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beslagvrije voet
Belanghebbende heeft gesteld dat B/T bij de terugvorderingen geen rekening heeft
gehouden met de beslagvrije voet, terwijl daar wel gegevens over voorhanden waren bij B/T. Daarom is in haar ogen sprake van hardheid bij de toepassing van het toeslagenstelsel door B/T.
De Commissie merkt op dat de algemene stellingname dat geen rekening is gehouden
met de beslagvrije voet, onvoldoende is om hardheid van het stelsel aan te nemen.
Daarnaast heeft de Commissie geen aanknopingspunten
gevonden die de stellingname van belanghebbende onderschrijven.
Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan
bovendien niet worden afgeleid dat de wetgever bij hardheid situaties van verrekening
voor ogen heeft gehad. Die situatie wordt immers niet expliciet door de wetgever
genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3
Wht wordt voorts aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of
stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14). De Commissie acht het bezwaar op dit punt daarom ongegrond.

Vergoeding proceskosten
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, de belanghebbende geen recht op vergoeding.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter