Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

BAC 2022-12033

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]

Primair besluit: 1 november 2022 met kenmerken UHT-DC-I, UHT-DC-I A en UHT-DH5 A

Ontvangst bezwaarschrift: 11 november 2022

Hoorzitting: 3 april 2024

Overdracht advies aan UHT: 19 juni 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikkingen (met kenmerken UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DH5 A), waarbij aan belanghebbende een compensatiebedrag is toegekend over het toeslagjaar 2007 van € 6.952,- (UHT-DC I). Over het toeslagjaar 2008 heeft UHT geen compensatie toegekend (UHT-DC-I A & UHT-DH5 A).

Overgangsrecht Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 januari 2021 telefonisch verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2007 en 2008.
  • Bij beschikking van 30 april 2021 is aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 september 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2007 en 2008.
  • Bij beschikking van 1 november 2022 met als kenmerk UHT-DC-I heeft UHT aan belanghebbende bericht dat zij recht heeft op een compensatiebedrag van € 6.952,- voor het jaar 2007.
  • Bij beschikkingen van 1 november 2022 met als kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A heeft UHT aan belanghebbende bericht dat zij geen recht heeft op compensatie voor het toeslagjaar 2008.
  • Gemachtigde heeft met een brief van 11 november 2022 tegen deze besluiten een bezwaarschrift ingediend.
  • Op 15 september 2023 heeft UHT daarop schriftelijk gereageerd.
  • Op 3 april 2023 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden in aanwezigheid van partijen. Het verslag van deze hoorzitting is gevoegd bij dit advies.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Compensatie over het jaar 2007, toekenningsbeschikking (UHT DC-I)
UHT heeft voor 2007 vooringenomenheid bij B/T aangenomen. Belanghebbende had in dat jaar geen recht op KOT omdat de opvang niet plaatsvond bij een geregistreerd gastouderbureau. B/T heeft al in 2007 het contract met de gastouder van belanghebbende gekregen en had dus toen al kunnen weten dat er geen sprake was van een geregistreerd gastouderbureau. Desondanks heeft B/T bij beschikking van 19 maart 2009 de KOT over 2007 definitief toegekend. Gelet op deze definitieve toekenning heeft belanghebbende er op mogen vertrouwen dat haar (recht op) KOT in toeslagjaar 2007 vast was vast komen te staan. Het daarna alsnog naar nihil herzien van de definitieve toekenning zonder dat sprake is van nieuwe informatie die B/T had kunnen hebben op het moment van de beschikking van 19 maart 2009 is in strijd met het vertrouwensbeginsel.

UHT heeft in haar schriftelijke reactie per onderdeel de compensatieberekening toegelicht, en daarbij vastgesteld dat de bij de berekening van de rentevergoeding over gemiste kinderopvangtoeslag (onderdeel o) is uitgegaan van de onjuiste startdatum 17 december 2011.

De Commissie kan UHT hierin volgen, en adviseert om de rentevergoeding in de beslissing op bezwaar opnieuw te berekenen en uit te gaan van de juiste startdatum 1 juli 2008. Dat houdt ook in dat de aanvullende vergoeding van 1% ter compensatie van mogelijke gevolgen van een vermogenstoename in de inkomstenbelasting (regel p) moet worden aangepast. Dat heeft UHT ook onderkend in de schriftelijke reactie. Hieruit volgt ten slotte dat de vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend tot en met de datum van de beslissing op bezwaar. In zoverre is het bezwaar gegrond.

Beoordeling van de jaren 2008 en 2009
Belanghebbende stelt dat zij ook over 2008 en 2009 moet worden gecompenseerd, nu zij in deze jaren gebruik maakte van dezelfde gastouder als in 2007. Belanghebbende acht het onbegrijpelijk dat zij voor 2007 wel compensatie heeft ontvangen, en dat UHT het voor de andere jaren heeft afgewezen. Zij heeft niet geweten dat zij gebruik maakte van een niet geregistreerd gastouderbureau; dat werd haar pas duidelijk toen B/T dat tijdens een hoorzitting in 2011 in het kader van een bezwarenprocedure meedeelde.

Met betrekking tot het jaar 2008 heeft UHT het volgende uiteengezet. Ook over 2008 is sprake van vooringenomenheid. Ook in dat jaar was sprake van opvang via (hetzelfde) niet geregistreerde gastouderbureau. Anders dan in 2007, is er toch geen recht op compensatie. Het verschil tussen de situatie in 2007 en 2008 is gelegen in het feit dat de KOT in 2007 al met een definitieve beslissing in maart 2009 was vastgesteld terwijl B/T op het moment van het nemen van die beslissing op de hoogte had moeten zijn dat er geen recht op KOT was omdat de opvang niet plaatsvond via een geregistreerd gastouderbureau. Daarna werd met een herziene definitieve berekening de KOT op nihil gesteld. Voor 2008 was dit niet het geval. Belanghebbende ontving de KOT slechts als voorschot en een voorschot kan altijd worden herzien en teruggevorderd.

De Commissie overweegt dat vaststaat dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van een niet geregistreerde gastouder, waardoor zij in beginsel geen recht had op KOT. De Commissie kan de redenering van UHT echter niet volgen dat er enkel in 2007 sprake is van omstandigheden waardoor belanghebbende aanspraak kan maken op compensatie.

Op grond van artikel 2.1 tweede lid Wht wordt de compensatie niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Het vereiste dat de onregelmatigheid aan de gedupeerde toerekenbaar moet zijn, houdt volgens het handboek van UHT in dat de ouder heeft beseft of heeft moeten beseffen dat zij geen recht had op KOT. Als voorbeeld wordt in het Handboek genoemd de situatie dat de ouder geen gebruik maakte van gekwalificeerde opvang, terwijl de ouder wel van registratie uitging. De Commissie acht het aannemelijk dat belanghebbende tot aan de genoemde hoorzitting in (november) 2011 niet heeft beseft dat zij gebruik maakte van een niet geregistreerd gastouderbureau. De vraag is of zij dat gelet op alle omstandigheden van het geval had móeten beseffen. De Commissie overweegt dat dat niet het geval is. Belanghebbende heeft namelijk al in 2007 aan B/T het contract met het gastouderbureau gegeven. Zoals al weergegeven: B/T heeft pas in november 2011 aan belanghebbende meegedeeld dat de gastouder niet was aangesloten bij een geregistreerd gastouderbureau. Over 2007 en nadien over 2008 heeft B/T aan belanghebbende KOT verleend. Onder die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat zij had moeten beseffen dat er een probleem zou zijn met het gastouderbureau. Daarbij speelt ook een rol dat belanghebbende door het schoolhoofd van haar kinderen is verwezen naar deze gastouder, omdat daar ook andere kinderen van deze school heengingen. Belanghebbende had gelet op deze samenloop van omstandigheden, kortom, niet hoeven te beseffen dat zij geen gebruik maakte van de juiste opvang.

Gezien het voorgaande adviseert de Commissie om ook over 2008 compensatie toe te kennen. Het bezwaar slaagt in zoverre.

UHT heeft onder verwijzing naar stukken toegelicht dat in 2009 geen recht op KOT was, omdat belanghebbende per 1 december 2008 de KOT heeft stopgezet en om die reden het al verleende voorschot over 2009 moest terug betalen.

Belanghebbende heeft hierover gesteld dat zij uit bezorgdheid over de mogelijke terugbetalingen, tegen de achtergrond van de schuldaflossingen die zij aan derden al deed, heeft besloten om de KOT te stoppen. Om die reden moet volgens haar geconcludeerd worden tot hardheid.

De Commissie kan belanghebbende hierin met de voorhanden gegevens niet volgen, nu het niet voldoende duidelijk is of en zoja in welke periode belanghebbende na 1 december 2008 opvang heeft gehad voor de kinderen en of zij en zo ja in welke omvang zij betalingen heeft verricht voor opvang. Het bezwaar kan op dit punt dan ook niet slagen.

Werkelijke schade
Op basis van de Wht kan UHT de door belanghebbende geleden schade die niet op basis van artikel 2.2 Wht en artikel 2.3 lid 1 t/m 7 Wht wordt vergoed aanvullend compenseren als werkelijke schade. In dat geval moet worden voldaan aan de voorwaarden van artikel 2.1 lid 3 Wht. Hiervoor kan belanghebbende een verzoek indienen bij de CWS ( www.werkelijkeschade.nl). Tijdens de behandeling op de hoorzitting heeft de gemachtigde toegelicht dat dit verzoek inmiddels al is ingediend.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie (deels) gegrond is, en de Commissie adviseert tot herroeping van het aangevallen besluit, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samenvattend adviseert de Commissie UHT om:

  • het bezwaarschrift deels gegrond te verklaren;
  • compensatie over toeslagjaar 2008 toe te kennen;
  • de rente over de gemiste KOT aan te passen zoals hierboven beschreven
  • de vergoeding voor immateriële schade te berekenen zoals hierboven beschreven, te berekenen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar;
  • de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal van het compensatiebedrag hierop aan te passen; en
  • een proceskostenvergoeding voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van 2 procespunten (tegen het hoogste tarief, met een wegingsfactor 2).

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter