Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

BAC 2022-11985

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]

Primair besluit: 22 september 2022 met kenmerk UHT-DHR en UHT-DC-I A

Ontvangst bezwaarschrift: 10 oktober 2022

Hoorzitting: 19 september 2024

Overdracht advies aan UHT: 12 november 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van een
vergoeding voor de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen twee door UHT genomen beschikkingen van 20 september 2022 met respectievelijk kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DHR (hierna: de bestreden beschikkingen).

Met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) heeft UHT bij
beschikking met kenmerk UHT-DC-I A aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen
compensatie ontvangt voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2015 en 2018. Bij beschikking met kenmerk UHT-DHR heeft UHT aan belanghebbende een compensatie van € 23.827 toegekend voor het toeslagjaar 2016.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Namens belanghebbende is op 10 februari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2016 tot en met 2018. Na overleg met belanghebbende op 11 februari 2020 is de herbeoordeling uitgebreid naar de toeslagjaren 2013 tot en met 2018.
  • Bij beschikking van 1 maart 2021 heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van
    belanghebbende op 30 maart 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat in de toeslagjaren 2013 tot en met 2015, 2017 en 2018 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid.
  • Bij brief van 26 mei 2022 heeft UHT aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend van € 23.468.
  • Bij beschikking van 20 september 2022 met kenmerk UHT-DC-I A heeft UHT aan
    belanghebbende medegedeeld dat zij geen compensatie ontvangt voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2015 en 2018.
  • Bij beschikking van 20 september 2022 met kenmerk UHT-DHR heeft UHT aan
    belanghebbende een definitieve compensatie toegekend van € 23.827. Omdat
    belanghebbende eerder al € 30.000 had ontvangen kreeg zij geen extra bedrag
    uitbetaald.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 10 oktober 2022, beide ingekomen op 10 oktober 2022, tegen deze beschikkingen pro forma bezwaarschriften ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 20 oktober 2023 de bezwaarschriften aangevuld.
  • UHT heeft op 5 augustus 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Gemachtigde heeft op 18 september 2024 als aanvullend stuk een powerpointpresentatie van UHT overgelegd.
  • Op 19 september 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 10 oktober 2024 een
    nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daarop, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet gereageerd.
  • De Commissie heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hiernavolgende advies aan UHT opgesteld.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaren ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is
gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of
tegemoetkoming af te wijzen.

Volledigheid dossier
De eerste bezwaargrond ziet op de volledigheid van het dossier zoals ontvangen door (de gemachtigde van) belanghebbende. Gesteld wordt dat het dossier niet volledig zou zijn en dat de ontbrekende stukken alsnog door UHT zouden moeten worden ingebracht. Belanghebbende laat echter na te specificeren welke stukken uit het dossier zouden ontbreken.

UHT stelt zich op het standpunt dat het aan belanghebbende toegezonden dossier het
volledige bezwaardossier betreft en alle producties bevat die in deze zaak relevant zijn.
Omdat het bezwaardossier alle relevante en van toepassing zijnde stukken bevat,
beschikken belanghebbende en gemachtigde over dezelfde stukken als waar de
bezwaarbehandelaar gebruik van maakt voor het beoordelen van een bezwaar.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat aan het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te
verklaren.

Ambtshalve correctie
Belanghebbende stelt dat er ten onrechte een neerwaartse ambtshalve correctie heeft
plaatsgevonden van de KOT over 2015 omdat belanghebbende in dat jaar een
toeslagpartner zou hebben gehad. De Commissie stelt vast dat uit de stukken blijkt dat
belanghebbende in 2015 ingeschreven stond op adres waar op dat moment ook haar zus stond ingeschreven. Deze informatie blijkt uit de Basisregistratie Personen. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna “B/T”) heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT-voorschotten in een toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag in beginsel vertrouwen op de (inkomens)gegevens van ouders zoals deze uit de overheidssystemen blijken en mag deze gegevens gebruiken.

De Commissie overweegt dat de beschikking van 1 april 2016, waaruit volgt dat de toeslagen voor toeslagjaar 2015 opnieuw zijn berekend, automatisch is gegenereerd op basis van de voor B/T beschikbare informatie. Uit de tekst van de beschikking blijkt op grond waarvan de beschikking is genomen. Belanghebbende had destijds bezwaar tegen die beslissing kunnen maken. De beoordeling van die beslissing valt buiten de reikwijdte van deze bezwaarprocedure.

De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagpartner
Op basis van de (destijds geldende) AWIR gold de zus van belanghebbende als haar
toeslagpartner gedurende de tijd dat zij samen stonden ingeschreven op het adres. De Commissie overweegt dat het aan belanghebbende was om haar gegevens in het “Mijn Toeslagen”-portaal te controleren en om, in overeenstemming met het bepaalde in art. 3 lid 2 sub e AWIR, een verzoek in te dienen om haar zus niet als toeslagenpartner aan te merken. Het is niet aan UHT om (ambtshalve) te toetsen of de (op zichzelf juiste) toepassing van de AWIR leidt tot hardheid.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de aanpassing van de KOT voor toeslagjaar 2015 op grond van de wet sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Opvragen gegevens
Belanghebbende stelt dat er in 2015 veelvuldig door B/T gevraagd is gegevens te
verstrekken. Uit de schriftelijke reactie van UHT op het aanvullend bezwaarschrift van
belanghebbende volgt dat het opnieuw opvragen van een plaatsingsovereenkomst
inderdaad dubbelop is geweest. Volgens UHT heeft dit niet geresulteerd in een neerwaartse correctie van de KOT over enig toeslagjaar.

De Commissie overweegt dat uit de stukken niet is gebleken dat B/T meer of andere
gegevens heeft opgevraagd dan noodzakelijk om het recht op KOT te kunnen vaststellen. Het instellen van een (extra) controle of het tussentijds of meer dan eenmaal opvragen van gegevens is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Overboeking
Belanghebbende stelt dat er in 2015 een bedrag van € 69 door B/T is overgemaakt naar de kinderopvanginstelling terwijl betalingen altijd aan belanghebbende werden gedaan. Belanghebbende vraagt van UHT een verklaring waarom dit is gebeurd. UHT kan deze verklaring niet geven.

Voor zover de opmerking van belanghebbende al als bezwaar moet worden opgevat, kan deze niet tot compensatie leiden. Gesteld noch gebleken is dat de betaling niet aan
belanghebbende ten goede is gekomen en bovendien kan van compensatie op grond van hardheid eerst sprake zijn bij een benadeling van ten minste € 1.500.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te
verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de primaire besluiten te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, de bestreden beschikkingen in stand te laten en het verzoek een proceskostenvergoeding toe te kennen af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter